LONGREAD

En daar zitten ze dan, om een vuurtje. Het is nog koud, zo ‘s morgens vroeg, dus ze houden hun handen dicht bij het vuur en wapperen ze langzaam heen en weer. Alleen de vrouwen zitten hier. Ze dragen dierenhuiden of omgeknoopte doeken. De oudste vrouw van de groep heeft een ontbloot bovenlijf. Haar zwarte borsten hangen slap neer. Rondom dit vuur slapen ze. De rieten hutten gebruiken ze alleen als het regent.

Als vrienden ons kwamen opzoeken in Tanzania, vroegen ze ons vaak of we reistips hadden. Moesten ze naar de Serengeti? Naar de Ngorogoro Crater? Naar Zanzibar? Al die mensen adviseerde ik: bezoek de Hadza. Ga mee op jacht met de laatste jager-verzamelaars van Oost-Afrika. Kom oog in oog te staan met onze oorsprong. Een onvergetelijke ervaring.

De Hadza wonen dicht bij de Ngorongoro Crater, de Olduvaikloof en Laetoli, de vindplaats van de beroemde prehistorische voetstappen.

De Hadza – of Hadzabe, zoals ze zichzelf ook wel noemen – wonen in de omgeving van Lake Eyasi, in het noordwesten van Tanzania. Het is dicht bij de Ngorongoro Crater, de Olduvaikloof en Laetoli, de vindplaats van de beroemde prehistorische voetstappen. In dit gebied heb je voortdurend het gevoel dat je in het verleden rondloopt. En toevallig of niet, uitgerekend in dit gebied leeft nog steeds een nomadenstam in het stenen tijdperk.

In het kamp

Ik zat een tijdje tegenover een oudere Hadza die met eindeloos geduld een pijl perfectioneerde.

De Hadza-mannen en -vrouwen in het kamp negeren ons volkomen. Ze doen wat ze altijd doen. Om het vuur zitten. Het vuur oppoken. Pijlen maken. Wij mogen rondlopen en alles bekijken. Zo zit ik een tijd tegenover een oudere Hadza-man die met eindeloos geduld een pijl perfectioneert. Steeds kijkt hij langs de pijl in de verte, draait de pijl rond om te zien of deze kaarsrecht is, schaaft de pijl nog eens bij, kijkt weer langs de pijl, vijlt nog wat bij, en dat in een eindeloze herhaling.

De Hadza hebben iets wat wij niet meer hebben. Tijd. Eindeloos de tijd. Ze hebben immers geen hypotheek, ze hoeven geen huur te betalen, ze hoeven niet om 09.00 uur op hun werk te zijn, ze hebben geen afspraak bij de kapper of de tandarts en ze hoeven geen rekening te houden met de sluitingstijd van crèche of supermarkt. En dus kunnen ze eindeloos pijlen perfectioneren. Of naar de sterren kijken. Tijd om verhalen te vertellen, tijd om te zingen, tijd om gewoon een beetje bij elkaar te zitten.

Ik denk aan wat de eigenaresse van onze lodge me vertelde. Ooit kwam een Engels gezin voor een televisieprogramma twee weken bij de Hadza wonen. Alles konden zij verdragen. Het slapen in de buitenlucht, het gebrek aan comfort, het gemis van sanitaire voorzieningen. Zelfs het eten van geroosterde vogeltjes en muizen viel ze mee. Maar één ding wende niet: de verveling. Ze konden niet niets-doen zoals de Hadza. Zomaar om een vuur zitten en zwijgen. Ze wilden praten. Iets verzinnen. Oplossingen bedenken voor veronderstelde problemen. Spelletjes spelen. Zo zit dat met ons, mensen uit het westen. We kunnen niet meer zijn.

Mee op jacht

Onze kinderen waren ook mee. De eigenaresse van onze lodge had ons van tevoren gewaarschuwd. Het komt nog weleens voor dat blanke kinderen overstuur raken van de jachttaferelen. De manier waarop de stam met dieren omgaat, is niet echt liefdevol. De eigenaresse van de lodge gaf een paar voorbeelden. Als een Hadza-vrouw een muis vangt, breekt ze met haar tanden de pootjes. Vervolgens stopt ze de levende muis in haar doek of buidel. Zo houdt ze de muis vers. Als de mannen met hun pijlen een antilope hebben geraakt, gaan ze op hun gemak zitten roken totdat het gif zijn werk heeft gedaan, geen acht slaand op het geschreeuw van het dier en zijn uitpuilende ogen. Verder zag de eigenaresse eens hoe de Hadza een moederaap doodden. Het babyaapje bleef maar schreeuwen. Terwijl de mannen de moederaap opaten, speelden ze vrolijk met het babyaapje, maar toen de moederaap op was, maakten ze het zonder emoties dood. Echtgenoot en ik kijken elkaar aan. We denken aan onze dochter van vier, onze zoon van vijf. Stiekem hopen we dat de Hadzabe niet veel zullen vangen die ochtend.

De Hadza zijn niet kieskeurig in hun voedsel. Ze eten wat ze vinden: knollen, bessen, vruchten en planten. Ze jagen op vogels, muizen, bushbaby’s, apen, antilopen en groter wild. En ze eten honing, heel veel honing. Het schijnt dat ze maanden kunnen overleven alleen op honing. Die honing vinden ze op een speciale manier: met tussenkomst van een spechtachtig vogeltje met de naam honingspeurder. De honingspeurder leidt de honingjager van de Hadza naar het bijennest. De honingjager en het vogeltje houden contact via onderling gefluit. Als de honing gevonden is, eten de Hadza de honing en eet de honingspeurder de bijenwas en de bijen.

Feilloos schoot deze Hadza een vogeltje door de borst. Trots komt hij zijn vangst laten zien.

Met hun pijlen schietklaar in de boog lopen een paar Hadza-mannen ontspannen door het struikgewas. Steeds als ze iets horen ritselen, reageren ze razendsnel: ze richten hun boog of achtervolgen iets door de bosjes. Al snel schiet een Hadza-man een zangvogel. Trots komt hij hem laten zien: het vogeltje zit nog op de pijl. Ongelooflijk hoe ze zo’n klein, verborgen vogeltje toch precies in zijn borst weten te raken.

Vuur maken

Even later schieten de mannen een tweede vogeltje. Kennelijk hebben ze honger, want ze maken meteen een vuur om de vogeltjes te roosteren. Een man verzamelt wat droge grasjes, een andere man pakt een stukje hout. Ze zetten een pijl rechtop op het stukje hout en draaien de pijl tussen hun vlakke handen. Als er een rookpluim verschijnt, voegen ze wat droog gras toe. Ze nemen het gras met het vuur erin in hun handen en blazen. Binnen een paar minuten hebben ze vuur. Ze plukken de staartveren van de vogel (de schutter steekt de staartveren in zijn haar, als trofee) en leggen het vogeltje met veren en al in de vlammen, om de overige veren weg te schroeien. Vervolgens plukken ze het en leggen ze het beestje opnieuw op het vuur, totdat het zwartgeblakerd is. Met smaak eten ze hem op. Wij slaan beleefd af.

Wel proeven we een geroosterde knol: de wortel van een liaan die de mannen hadden uitgegraven. Hij smaakt als wortel, of als komkommer, of iets ertussenin, maar dan met meer vezels en meer smaak. Het is een bijzondere eetervaring: het is letterlijk alsof een golf energie je lichaam binnenstroomt. Een magisch gevoel. Een groot verschil met de pennywafels die ik later die ochtend in de auto zou eten, bij gebrek aan ontbijt. Ik proefde plotseling heel duidelijk dat die pennywafels energie namen, niet gaven. Een ander verschil was dat de pennywafels in drie lagen verpakking zaten. De vooruitgang.

Even later komen we de Hadza-vrouwen tegen die knollen aan het verzamelen zijn. Toch zijn ook zij op zoek naar klein wild. In een droge rivierbedding zitten ze fanatiek met hun puntige stokken in de grond te hakken. Er is een muis gesignaleerd en ze leggen nu zijn ondergrondse gangenstelsel bloot. Maar de muis weet te ontkomen. Ondertussen vinden Echtgenoot en ik het gedoe met zangvogels en muizen maar niets. Een aap wilden we, een dikdik, of liever nog een koedoe! Onze jachtinstincten zijn aangewakkerd. Maar kunnen onze kinderen dat aan?

De tere kinderziel

Behalve onze kinderen zijn er drie Hadza-kinderen bij. Ik schat ze tussen de vier en de acht, maar de ervaring leert dat Afrikaanse kinderen altijd ouder zijn dan je ze inschat. De kinderen krijgen wat toegestopt van de lianenknollen die opgegraven worden. Een jongen van een jaar of vijftien heeft imponerende littekens op zijn rug. We vragen hem welk beest hem deze lange, parallelle lijnen heeft bezorgd. “Janjai,” zegt de jongen. “Luipaard,” vertaalt de tolk.

Een man legt ons uit welke bomen, takken en bladeren worden gebruikt om malaria, buikpijn en hoest te genezen. Plotseling wordt hij onderbroken. Er gebeurt van alles tegelijk. Een man richt op een duif. De duif vliegt op, wordt geraakt, gaat even verdoofd op de grond zitten, maar vliegt toch weer op en ontsnapt. Tegelijkertijd is er achter ons grote commotie. Iets kleins ontsnapt, een Hadza-man probeert het klem te zetten met zijn voet, en nog eens, alsof hij iets probeert dood te trappen. Het wezentje verdwijnt in een kniehoog struikje, twee mannen staan er onmiddellijk omheen met gespannen boog, alle spieren gespannen, de pijlen naar beneden gericht, één schot, en daar is de muis, spartelend aan de pijl. De tweede man slaat de muis dood met een andere pijl.

“Mama, ik heb een muis verzameld!”

Onze kinderen mogen de dode muis vasthouden. Ze bekijken hem van alle kanten. “Kijk mama, dat is zijn poepgaatje!” Er wordt gevochten om het ding. Zelfs Dochter, toch groot dierenliefhebster, laat geen traan om de muis. Trots draagt ze het bungelende ding aan zijn staart naar het Hadza-kamp. In haar andere hand de eerder gescoorde maraboeveren. “Mama, ik heb een muis verzameld,” zei ze voldaan. Onze zorgen over de tere kinderziel waren volkomen onterecht.

Mooie samenleving

Misschien zou je verwachten dat de Hadza woestelingen zijn. Een soort Neanderthalers avant la lettre: aapachtigen die zwaaiend met knotsen brullend achter beesten en andere stammen aanrennen. Maar de Hadzabe zijn vriendelijke, conflictmijdende mensen. Ze hebben een meegaande natuur. Zo verzetten ze zich niet als andere stammen hun gebied binnentrekken, zelfs niet wanneer ze daardoor grote delen van hun leefgebied kwijtraken.

Ook zien de Hadza nergens problemen. Ze leven bij de dag en kennen geen woord voor ‘morgen’. Om dit te illustreren een anekdote die de eigenaresse van Kisima Ngeda ons vertelde. Een Engelse filmploeg kwam naar Lake Eyasi om de Hadza te filmen. In de documentaire probeerde de regisseur de moeilijkheden te belichten waar de Hadzabe in toenemende mate mee te maken krijgen. De gevolgen van aids, infectieziekten waartegen de stam geen weerstand heeft, de Datoga-stam die het gebied is binnengetrokken, de afnemende wildstand, toerisme… Maar de Hadza wilden van geen problemen weten. Elk probleem dat de regisseur opwierp, werd weggewuifd. Het viel niet mee om de documentaire te maken die de regisseur voor ogen stond! Met toenemende wanhoop benoemde de regisseur de problemen. “Maar de Datoga dan? Hun koeien die het wild verjagen? Hun geiten die alles kaalvreten?” De Hadza haalden hun schouders op. Maar ze voelden de frustratie van de regisseur. Bij het afscheid van de filmploeg kwam een Hadza-man naar de regisseur toe. Hij sloeg de regisseur vriendschappelijk op de schouder en sprak de volgende woorden: “Don’t worry. We will find you a problem.

Zo’n mooie samenleving. Zo zorgeloos. Zo duurzaam. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze oer-sapiensen na hun vertrek uit Afrika zo’n spoor van vernietiging hebben achtergelaten? Zo’n kaalslag? Uitroeiing van de mammoet, de wolharige neushoorn, de Neanderthaler – en dat ruim vóór het begin van de landbouw? Ik kan het niet verenigen met mijn indruk van deze vredelievende zielen. Maar ik kan het wel verenigen met de moderne sapiens. Ergens tussen Afrika en Eurazië is het fout gegaan.