COLUMN 

Vorige week zag ik A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence, van de Zweedse regisseur Roy Andersson. Ik hou van Zweedse films, althans van de films van Lukas Moodysson die ik zag: Fucking Åmål, Together en Lilya 4-ever, en van de films van de gebroeders Fares, en natuurlijk As it is in heaven. Met een Zweedse film zit je eigenlijk altijd goed. En deze had de Gouden Leeuw gewonnen op het filmfestival van Venetië en kreeg vijf sterren van Het Parool, de NRC en de Volkskrant. Meer dan Boyhood en Still Alice. Een must, zou je zeggen.

De film bestaat uit 39 scènes die allemaal in één shot zijn gefilmd, met een statische camera. De scènes zijn dus tableaux vivants: in een meestal gesloten omgeving met vrijwel bewegingloze figuren doen de acteurs een voor een hun ding. De verstilling wordt nog versterkt door de ruimtes: leeg, strak, kaal en morsig. Alle vertrekken zijn lichtgrijs, lichtgeel of beige. Door de ramen zien we grijze luchten, sneeuw of desolate industrieterreinen. Zelfs die ene scène op het strand doet somber aan.

Ook de personages hebben iets straks, iets formeels, iets leegs en iets morsigs. Tussen de personages zit afstand. Pogingen tot menselijk contact beperken zich tot het aanraken van vingertoppen (waarbij de aangeraakte meteen verstijft), andere onbeantwoorde handtastelijkheden (danslerares wordt afgewezen door jonge danser), zoenen met een peloton matrozen (waarmee de matrozen hun drankjes betalen), en telefoongesprekken waarin maar één zinnetje gezegd wordt (“Fijn om te horen dat het goed met je gaat”). Een man mist zijn afspraakje omdat hij pech had onderweg, en blijft verloren achter. Een andere man sterft weliswaar in het bijzijn van zijn vrouw, maar ze heeft het niet door omdat ze slagroom staat te kloppen. Het getuigt allemaal van grote eenzaamheid en onbeholpenheid.

Roy Andersson heeft vier jaar over deze film gedaan.

Ik bewonder Anderssons stijlvastheid. Ik vind het gaaf dat zijn film uit korte filmpjes bestaat, met een overkoepeld thema. Je moet wel bewondering hebben voor zijn lange shots en de mise en scène. Maar zijn thema’s! Met deze film wil Andersson vanuit het perspectief van een duif laten zien hoe de mensheid in elkaar zit. Wat zegt het over een man als hij vier jaar werkt aan een film met lege, onpersoonlijke ruimten vol morsige figuren met een onvermogen tot menselijk contact? Terwijl het zijn bedoeling was om empathie op te roepen en schoonheid uit te beelden? Als ik met Andersson getrouwd zou zijn, geloof ik dat ik na het zien van deze film een scheiding zou aanvragen.

Als ik nou zelf zo’n film zou maken, een film bestaande uit korte, min of meer losstaande scènes met overkoepelend thema, wat zou ik dan filmen? Wat zou mijn thema zijn? Wat zet ik tegenover dit wereldbeeld van ongeluk en onvermogen, van leegte en eenzaamheid?

Een wereld vol levenslust. Een wereld met mensen die genieten, van elkaar, van de natuur en van muziek. Een wereld met ruimte voor gelach en spontaniteit. Een wereld met blauwe luchten.

De film zou beginnen met een zomers tuinfeest. Een weilandje, een paar fruitbomen, een lange houten tafel en een paar slingers. Gelach en muziek. Twee paar blote voeten dansen in het hoge gras. Iets verderop ligt een meer. De twee paar blote voeten lopen naar het water. Vingers maken een landvast los. Het bootje schommelt als ze instappen. Gefluister. Gegiechel. Het geluid van houten peddels tegen een boot.

Over een houten steiger loopt een groepje jongelui naar een andere boot toe. Ze hebben een krat bier bij zich. Joelend en gilletjes slakend stappen ze in. Iemand trekt de motor aan. Het gemoedelijke gebrom van een buitenboordmotor en het geluid van een radio. Een meisje ligt nonchalant achterovergeleund, half tegen een jongen aan, en zingt mee met de harde, vrolijke muziek.

Ze kruisen het pad van de roeiboot. De roeispanen worden gehanteerd door een man. Zijn passagier, een vrouw, kijkt om naar de motorboot en zwaait. Het gebrom van de motorboot sterft weg. Nu alleen het geluid van de peddels in het water. De voorkant van de roeiboot schuift in het riet. De mensen met de blote voeten stappen uit. Ze leggen een sprei op het weiland en gaan liggen en knuffelen. Boven hen roepen de grutto’s en de scholeksters.

De grutto heeft jongen, die in het hoge gras zitten. We horen mama grutto lieve woordjes zeggen tegen de zachte donsbolletjes. (Het is volkomen bizar om grutto’s aan het woord te laten, maar juist het bizarre van A Pigeon Sat on a Branch spreekt me aan. Als een achttiende-eeuwse koning te paard een hedendaags café kan binnenstappen, zoals in de film van Andersson, dan kunnen grutto’s praten. In The Young Ones kwamen pratende ratten voor, dat vond ik toen al verfrissend.)

In het midden van het meer rust een platte boot. Op de boot staan vijf mensen muziek te maken. De bandleider is een vrouw met een klarinet. Er is een gitarist, een drummer, een violist en een trompettist. Ze spelen zigeunermuziek. Aan het eind van het filmpje komen alle bootjes en personages het meer opvaren, en leggen ze aan bij de boot van de muzikanten. Camera zwenkt uit.

Zoiets. De muziek uit Black Cat White Cat, de decors van Carl Larsson en de lentesfeer van Vedeldi Vedeldei.

Ik moet dus concluderen dat ik Anderssons film in elk geval inspirerend vond.

 

De beste recensie van A Pigeon Sat on a Branch vond ik die van Coen van Zwol in NRC Reader

Voorproefjes zijn te zien onderaan deze blogpost.