COLUMN 

Mijn eerste lente was de lente van 2015. Twaalf jaar was ik in het buitenland geweest. Twaalf jaar lang had ik de Nederlandse lente gemist. Ik zag er extra naar uit omdat ik de hele winter van 2015 ziek, zwak en misselijk was geweest. En toen kwamen ze: de zon, de bloemen, de geluiden, de geuren, het zachte briesje, de zwaluwen die terugkeerden uit Afrika.

Zelf keerde ik ook terug. Ik was verrukt. Ik zocht een gedicht dat vatte hoe ik me voelde. Ik vond het niet.

Totdat ik laatst een letterkundig boek opensloeg uit de nalatenschap van mijn oma. Meteen waar ik het boek opensloeg – zoals zo vaak gebeurt – vond ik het lied ‘Maysche Morgenstond’, geschreven door Dirck Rafaelszoon Camphuysen (1586-1627). Zo begint het:

Alles wat ik zocht staat in het gedicht: de lucht, de zon, het briesje; het dauwtje in de koele nacht, het koetje dat graag klavers eet, en de hele natuur die lacht van dankbaarheid. En het einde is zo mooi, zo toepasselijk, zo van deze tijd. Lees het zelf.

Nu denk ik dat de taal van het gedicht wat heftig is voor de gemiddelde hedendaagse lezer. Het is zeventiende-eeuws Nederlands. Daarom hier mijn vertaling van de strofen 8, 9, 10 en 15 – maar het origineel (zie onderaan) is oneindig veel mooier en liever.

8.
De aarde is met bloemen versierd,
Het bijtje verzamelt zijn was,
Het leeuwerikje tiereliert,
En daalt neer op het nieuwe gras.

9.
Het bloempje dringt de knoppen uit,
‘t Geboomte ruist van loof,
Het veetje graast het klaverkruid
Graag van het veldje af.

10.
Elk diertje heeft wat hij wenst,
En kwelbegeerte ligt stil,
Behalve in de dwaze mens,
Door zijn verkeerde wil.

15.
Ach! waren de mensen maar verstandig,
En wilden daarbij wel [??]:
Dan zou de aarde een paradijs voor hen zijn,
Nu is ze meer een hel.

Wat ik zo mooi vind aan dit gedichtje, is de lieflijke manier waarop Camphuysen de natuur beschrijft. Het windje, het dauwtje, het leeuwerikje. Het nieuwe gras, het veetje, het veldje. Zo mag je nu niet meer dichten in Nederland. Verkleinwoorden zijn uit den boze. En eigenlijk mag je ook niet zo denken. Het is te romantisch, te soft, te teder, te idealistisch. In onze cultuur is weinig plaats meer voor vertedering en ontroering. Zeker niet ontroering door de natuur.

De aarde was een paradijs, schrijft Camphuysen. Het zeventiende-eeuwse paradijs: de lucht vol leeuweriken, de velden vol bloemen en overal hoorde je weidevogels. Gelukkig hoor je die nog steeds, ook al zitten we inmiddels twee eeuwen later. De aarde is nog steeds geen hel. (Camphuysen doelde met zijn hel overigens op zijn persoonlijke situatie, maar dat is voor een andere keer).

Hieronder staat het volledige gedicht.

 

Mayschen Morgen-stondt
Geeste-lijck Meditatie-Liedt

1
VVAt is de Meester wijs en goedt,
Die alles heeft gebout,
En noch in wesen blijven doet
Dat ‘s menschen oog aen-schout.

2.
Die ‘s Werelds wijden omme-ring,
Noyt nyt-gewaeckt, bewaeckt;
En door gepaste wisseling,
Het soet noch soeter maeckt.

3.
Nu is de Winter, dor en schrael,
Met al sijn onlust heen,
En d’Aerde heeft voor dese mael
Haer lijden af-geleen.

4.
Dies is de tijdt weer-om gekeert,
VVaer in natuyr verjongt,
Haers milden Scheppers goetheyt eert,
En met sijn gaven pronckt.

5.
De May, wiens soetheyt soo verstreckt,
Dat sijn gedachtenis,
In ‘s menschen geest al vreugd verweckt,
Eer hy voor-handen is.

6.
De May het schoonste van het Iaer;
Daer alles in verfraeyt,
De Lucht is soet, de Son schijnt klaer,
‘t Gewenschte VVintje waeyt.

7.
Het dautjen, in de koele nacht,
VVordt over ‘t Veldt verspreyt,
VVaer door de heel natuyre lacht,
En is vol danckbaerheyt:

8.
De Aerd is met gebloemt geciert,
Het Bijcken ga’ert sijn VVas,
Het Leeuwerickjen tiereliert,
En daelt op ‘t nieuwe Gras.

9.
Het Bloempjen dringt t’en knoppen uyt,
‘t Geboomte ruygt van Lof,
Het Veetjen scheert het Klaver-kruyt
Graeg van het Veldtjen of.

10.
Elck Diertjen heeft sijn vollen wensch,
En quel-begeert leyt stil,
Behalven in den dwasen mensch,
Door sijn verkeerden wil.

11.
De mensch van ware Deugden leeg,
En vol van sotten lust,
Hem selfs en and’ren in de weeg,
Vermoord sijn eygen rust.

12.
Dit Leven, ‘t welck alleen niet end,
Maer kort oock is van duyr,
En licht van selfs slaet tot ellend,
Maeckt hy sich dobbel suyr.

13.
‘t Vee word ont-zielt, sijn eynd is fnel
En sijns doods-pijn niet groot:
De mensch, door menig ziel-gequel,
Sterft meer dan eenen dood.

14.
Ach had de mensch (soo waer sijn stand
Vol-hert en sinnen-vreugd)
Of sonder deug de min, verstand;
Of by ‘t verstandt, meer deugd.

15.
Ach! waren alle menschen wijs,
En wilden daer by wel:
De Aerd waer haer een Paradijs,
Nu is-se meest een hel.

Ik vond dit gedicht in ‘De Nederlandse poëzie, van haar oorsprong tot heden, tot 1880’. Gekeurd en gekenschetst door C.J. Kelk. Moussault’s Uitgeverij, Amsterdam (1948).
Met dankbaarheid aan oma en de schat die zij me heeft nagelaten.

ILLUSTRATIE: Grutto’s, door Jos Zwarts.