In 1988 was ik zestien. Het was Boekenweek. Een zekere J.M.A. Biesheuvel had het Boekenweekgeschenk geschreven. In de Bijenkorf lagen zijn boeken hoog opgestapeld. Ze hadden mooie, egale omslagen in matte kleuren. Mijn oog viel op een donkerblauw boek met de titel Reis door mijn kamer. De titel sprak me aan. Ik hou van reizen. En ik hou van mijn kamer. Ik snap dat iemand over zijn kamer gaat schrijven. Dus pakte ik het boek op. Al na een paar pagina’s was ik verkocht. Ik had een lievelingsschrijver.

Zo begint Reis door mijn kamer:

Ik zou in een vliegtuig kunnen stappen en naar Sjanghai vliegen, ik zou scheep kunnen gaan en naar Port Churchill in de Hudsonbaai varen, ik zou in een auto kunnen stappen en naar Parijs rijden.

Dat alleen al. De mogelijkheid om een vliegtuig te pakken en naar avontuurlijke plekken te reizen. Ik zou naar India kunnen gaan, naar Egypte, Mauritanië. Ik zou vanaf de luchthavens aldaar door kunnen reizen naar Rajasthan (met de trein), Farafra (met de bus) of de Banc d’Arguin (met een Landrover). Luchtspiegelingen van verlangen.

Als zestienjarige scholier kon ik geografisch geen kant op. Met vingers en voeten was ik vastgeklonken aan schoolbellen, roosters, parasangen, gerundia en gerundiva, sinussen en cosinussen en ook iets met ‘tangens’. Elke ochtend nam ik om 07.41 de bus. Het leven was saai. De lichtpuntjes waren schrijven, ontmoetingen, gesprekken, muziek, verliefdheden. En Schiermonnikoog.

Biesheuvel vervolgde:

Hier op mijn kamer zijn ladenkasten vol met hangmappen, ja ik weet precies hoeveel hangmappen ik heb: twaalfhonderd! In iedere hangmap hangt een verhaal, soms is het verhaal vier, soms zeventig bladzijden lang (mijn uitgever heeft me aangeraden om de markt niet te overvoeren). Ik verdien veel geld, genoeg om ervan te reizen. Vanuit Sevilla zal ik mijn vrouw de opdracht geven om een aardig boek samen te stellen van ongeveer tweehonderd pagina’s, een jaar later zal ik haar vanaf een der Falkland Eilanden dezelfde vraag stellen en ga zo maar door.

Het beeld van de hangmappen vol verhalen intrigeerde me. Hangmappen om in te snuffelen, om ontdekkingen in te doen, om pareltjes uit te vissen. Ik rook bijna de geur van de documenten. Ook de combinatie reizen en schrijven stond me aan. Maar Bies ging niet op reis. Hij bleef thuis. Al lezende reisde hij de wereld rond, zo schreef hij. En mij nam hij mee.

Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt! Ik zal u mijn kamer beschrijven precies zoals hij is, opdat mensen over duizend jaar weten hoe een kamer anno 1983 in Leiden, Nederland, eruitzag. Ik geloof dat iedereen graag wil weten hoe mijn kamer eruitziet, omdat hij of zij dan het arrangement van voorwerpen vergelijken kan met dat in de eigen kamer: ‘Dus daar heeft hij de schemerlamp staan?’ (…) Wat doet het ertoe hoe groot het heelal is als mijn kamer voor mij al zo belangwekkend is?

Mijn ogen knalden uit mijn kop van opwinding en bewondering. Gulzig las ik verder. Biesheuvel tuimelde van associatie in associatie en verloor zichzelf voortdurend in interessante intermezzo’s. Zo kwam er een foto ter sprake uit het Amerikaanse tijdschrift Life. Ik kende Life; op zondagochtend bladerde ik graag in mijn vaders fotoboek Het beste uit Life. Alles wat ik in die tijd wist van de twintigste-eeuwse geschiedenis had ik opgedaan uit dit boek. Ghandi, Buchenwald, de Kennedy’s, Vietnam, de Ku Klux Klan, Martin Luther King. De beelden staan op mijn netvlies gekerfd: de gewonde Amerikaanse soldaat met het oogverband in Vietnam, de Indiase moeder die met veel liefde haar mismaakte dochter baadde, de verbrande zwarte man die zich onder de schuurdeur had proberen uit te wurmen. De kermende Aziatische vrouw met de hoed en het slijm bij de zak met de overblijfselen van haar man. Stil nam ik de details in me op. De foto’s uit Life leerden mij iets over moed, verlies en verdriet. Ik ben twintig jaar op zoek geweest naar een antiquarisch exemplaar, maar vond het nooit. (Inmiddels heb ik mij het exemplaar van mijn vader toegeëigend.)

Even verderop schreef Biesheuvel over de geneugten van zijn vaders oude Remington. Ik had op tienjarige leeftijd leren typen op mijn vaders metalen typemachine, een apparaat dat ik intens liefhad. Mijn aanslag is nog steeds notoir hard; de S-toets van mijn MacBook is gebroken en gerepareerd met plakband. En toen was ik nog niet eens aangekomen bij Maartens beschrijving van mijn lievelingsscène uit Some like it hot (“There is a party in number 7!”) en bij Maartens bekentenis over Schiermonnikoog, mijn lievelingseiland. Met andere woorden: het was liefde op het eerste gezicht.

Ik dacht: Maarten Biesheuvel is als ik. Hij houdt van lezen. Hij houdt van schrijven. Hij houdt van zijn kamer. Hij houdt van torren, van leeuweriken, van de zee. Hij houdt van absurde wendingen en onverwachte ontmoetingen. Hij houdt van Schier – hij is nota bene getróuwd op Schiermonnikoog. (Ik wilde ook trouwen op Schiermonnikoog, het liefst op de Balg, op blote voeten, met de genodigden in rok aan lange houten tafels, maar de tocht naar de Balg was voor mijn grootouders te gecompliceerd geworden, vandaar dat het het Rotterdamse Natuurhistorisch Museum werd.)

Hoe bestaat het!

Bij de aankoop van Reis door mijn kamer – op het schutblad noteerde ik de aankoopdatum, ik weet hem uit mijn hoofd, het was 16 maart 1988 – ontving ik ook het Boekenweekgeschenk van dat jaar, Een overtollig mens. Achterin dat boekenweekgeschenk staat het verhaal Hoe bestaat het! Tot op de dag van vandaag, 32 jaar later, is dit het allermooiste korte verhaal dat ik ooit las. Als je iets moois wilt lezen, iets korts, iets simpels, iets ontroerends, lees dan dit verhaal. Zeven pagina’s levenslust. Het gejubel van een mier.

Alleen al de eerste twee zinnen zijn briljant.

Ik stap en stap, voorzichtig stap ik voort. Misschien is dit de mooiste dag van mijn leven.

Zo zou iedereen de dag moeten beginnen. Monter stappend, vol verwachting, open naar de wereld.

Op 22 juni 2019 stuurde ik Maarten Biesheuvel een kort briefje voor zijn tachtigste verjaardag, om hem te bedanken voor alles wat hij had geschreven. Ik had hem nog veel meer briefjes willen schrijven. Dat was ik ook van plan, maar zoals dat gaat: er stonden andere projecten op stapel en opdrachten en vakanties en Sinterklaasgedichten en nog veel meer. Gelukkig schreef ik hem toch nog dat ene kaartje. Een fragment:

Er zijn tientallen redenen waarom ik houd van uw werk, o meester Biesheuvel, en alles zit in dit verhaal. De lyrische opsommingen:

O boom, o vogel, o stier, o kerk, o graven, o stenen, o forel, o lucht, o water.

Het aanspreken van dieren:

Dag kerkje, dag stenen, dag dood, dag stier, dag leeuwerik, ik hoor je nog wel maar ik heb nu iets anders te doen.

De existentiële gewaarwording:

En ik denk: Ik ben. Die gedachte overvalt me soms ’s nachts in bed, soms in de trein, soms op college. Maar nu overweldigt de gedachte me: Ik ben, ik besta, ik kan waargenomen worden, ik geniet, ik ben, ik leef. Ik ga op de grond zitten en huil zachtjes: Ik ben. Wat ben ik blij dat ik er mag zijn.

Over een paar dagen moet ik terug naar de stad. Maar ’s nachts op mijn kamer zal ik mijn Dichter lezen en ook dan zal ik denken: Ik ben. Wat is het vreemd dat ik er ben en wat ben ik blij. Ik ben geboren en ik ben nog niet gestorven. De weg is er om mij te dragen, de leeuwerik zingt voor mij. Ik ben! Ik besta, ik meester Biesheuvel.

Ik lees en herlees deze zinnen al meer dan dertig jaar en elke keer opnieuw raak ik diep ontroerd. (…) Dank u meester Biesheuvel dat u er bent en dat u dit aan de wereld heeft gegeven. En van harte gefeliciteerd met uw tachtigste verjaardag.

 

Rust zacht lieve Maarten.