In mijn boekenkast staan bij de Nederlandse literatuur twee schriften. Op het ene staat ‘Nederlands | 5α | Tot 1880’, op het andere ‘Nederlands | 6α | Vanaf 1880’. De schriften vallen bijna uit elkaar, maar de inhoud is nog intact.

Aan het begin van de vijfde klas maakte onze leraar Nederlands duidelijk dat hij literatuurgeschiedenis zou geven. Geen invuloefeningetjes, grammatica en spelling, maar literatuur met een grote L, beginnend in de tweede helft van de zestiende eeuw, met de Val van Antwerpen. De Middeleeuwen waren immers in de vierde klas al aan de orde gekomen – in mijn herinnering eindeloos klassikaal ridderromans lezen. In de vijfde zou het anders gaan: Kersten gaf college en je werd verwacht aantekeningen te maken.

Al in het tweede college kwamen de bijeenkomsten op het Muiderslot ter sprake. Aan de hand hiervan bracht Kersten ons de beginselen van het epicurisme bij. Met een stel vrienden op een buiten genieten van een goede fles wijn en een goed gesprek, dat was het beeld dat hij schetste. Iedereen was meteen epicurist. Maar Kersten wees ons erop dat ook de Stoa aantrekkelijke aspecten had. Gelijkmoedig zijn. Tegenslagen kunnen verwerken. Sober kunnen leven. Aequo animo. Ik luisterde ademloos. Ik wilde net als Hooft een epicuristische stoïcijn zijn. Eigenlijk wilde ik onmiddellijk mijn eigen Muiderkring beginnen, in de voetsporen van P.C. Hooft.

Dit patroon heeft zich een paar keer herhaald. Aan het eind van de vijfde klas had Kersten het over de Romantiek en ik wist dat ik een romanticus was. Kersten had het over de Tachtigers en ik wist dat ik in het diepst van mijn gedachten een Tachtiger was. Mijn allerindividueelste emoties begonnen te schreeuwen om expressie.

Huiswerk hadden we niet. Aan het begin van de les controleerde Kersten in onze schriften waar hij gebleven was. Vervolgens wierp hij een blik in zijn eigen schrift: een twaalfrings multomap met losse blaadjes, gelinieerd, met zwarte inkt beschreven in zwierige ronde schrijfletters. Op die blaadjes stonden jaartallen, literaire stromingen, titels van romans en dichtbundels, citaten, levenslopen en aandachtspunten per stroming. Een schat aan informatie. Kersten gebruikte het voornamelijk als geheugensteun.

Constantijn Huygens, volgens Kersten "talig een zeer begaafd man".

Constantijn Huygens, volgens Kersten “talig een zeer begaafd man”. 
Zelf wist Kersten zijn taal ook mooi te gebruiken. De neoromantiek noemde hij “zachtzinniger, lieflijker” dan de romantiek. Leopold was “zachtaardiger” dan Boutens: vergeleken met Boutens schreef Leopold “op fluistertoon”. En jazzmuziek (expressionisme) werd volgens Kersten gezien als “de welkome injectie van de hartstochtelijkheid van een niet-Westers volk”.
Portret van Jan Lievens (detail).

Het handschrift van Kersten maakte duidelijk dat hij niet helemaal thuishoorde in de zakelijke jaren tachtig. Dit was het handschrift van een lyricus, een dichter, een gevoelsmens. Ook Kerstens liefde voor poëzie wees hierop. Hij kon helemaal opgaan in het declameren van een gedicht. Hoofd ten hemel geheven, ogen in de verte gericht, wijds gebarend, glimlachend en gedragen droeg hij de strofen voor. De eerste keer voelden we ons hier een beetje ongemakkelijk onder, maar ik kan me niet herinneren dat iemand lachte. De bevlogenheid van Kersten was volkomen oprecht en maakte indruk. Dat Kersten zich na zo’n lyrische uitbarsting placht te verontschuldigen – “Ja, ik vind dat nu eenmaal mooi…” – en informeerde of wij dat dan niet mooi vonden, maakte hem kwetsbaar en sympathiek.

De schrijvers en stromingen kwamen tot leven door de interessante anekdotes die Kersten vertelde. Dat Huygens niet alleen vloeiend Frans, Italiaans en Spaans sprak, maar ook kon zwemmen, wat in die tijd bijzonder was. Dat Bredero waarschijnlijk was overleden aan een longontsteking die hij had opgelopen tijdens het schaatsen. Dat literaire stromingen een equivalent hebben in de schilderkunst en de architectuur – zo noemde hij het expressionisme in de schilderkunst en de Nieuwe Zakelijkheid in de bouwkunst. Kersten legde de link tussen naturalisme en Freud, tussen Gorter en Van Gogh, tussen Van Eeden en Tolstoi.

Het triviale ontbrak niet. Treffend schetste Kersten in enkele zinnen de levensverhalen van de Nederlandse auteurs en dichters. Pieter Langendijk, zo noteerde ik, “werd door zijn moeder opgevoed, die veel dronken was en verkwistend. Bovendien trouwde hij met een vrouw die slonzig was. Een eenzaam leven.” Gorter beschreef hij als “hartverwarmend naïef”. Van Slauerhoff meldt hij diens onleesbare handschrift. Uiteraard kwam de vermeende homoseksuele aard van Louis Couperus ter sprake (en het feit dat hij gelukkig getrouwd was met zijn achternicht). En in zijn jeugd had Kersten Willem Kloos nog gezien in Den Haag. Zijn moeder wees hem: “Kijk, daar loopt Kloos.” Dat soort verhalen maakte indruk.

Maar de meeste indruk maakte de poëzie. In 1991 ging ik Nederlandse taal- en letterkunde studeren aan de Universiteit Utrecht. Slechts één docent – Wilbert Smulders – wist in slechts één college – over Cheops van Leopold – net zo aanstekelijk zijn liefde voor poëzie uit te dragen als Kersten op het Erasmiaans. In de overige colleges werd weinig toegevoegd aan Kerstens schriftje. Van Zuylen, Wolff en Van Deken, Gazelle, Van Eck, we hadden het allemaal al gehad. Het enige dat nieuw was, was dat de Muiderkring waarschijnlijk helemaal niet heeft bestaan. Dat was nogal een desillusie.

Mijn twee schriftjes zijn op reis geweest. Ze waren in Zambia, Swaziland en Tanzania en nu zijn ze weer terug in Nederland. Ze vervangen kilo’s aan boeken en bevatten alles wat een gymnasiast zou moeten weten van de Nederlandse literatuur. Al kan ik de gedichten en jaartallen dromen, ik koester deze schriftjes als een eerste elpee. Het zijn tastbare herinneringen aan een inspirerende docent.

 

In iets andere vorm gepubliceerd in Tolle Belege, januari 2002, onder de titel ‘Het schriftje van Kersten’. Huib Kersten heeft het stuk na publicatie gelezen en was ermee in zijn sas. Wel haalde hij er een spelfout uit.